Zo blauw, zo prachtig blauw

Johan neuriede zachtjes een liedje terwijl hij zijn armen om Rietje heensloeg.

 

Méditerannée, zo blauw zo blauw
Méditerannée, zo blauw zo blauw

 

“Weet je nog,” zei hij terwijl hij haar aankeek. “Dat was van Toon Hermans. Die hebben we nog gezien die avond in 1973.”

Rietje knikte en vlijde haar hoofd tegen Johan aan.

“Klopt,” zei ze zacht. “Toen zijn we voor het eerst in Frankrijk op vakantie gegaan.”
“Vanwege dat liedje,” vulde Johan aan.

Samen staarden ze over de eindeloze watermassa van de Middelandse Zee die werd beschenen door de opkomende zon. Het water glinsterde en straalde met de pracht van zuiver geslepen diamanten en zong het lied van de eeuwige vrede.

“Vakantie in Frankrijk is mooi hè,” zei Rietje.

Johan zei niets maar knikte.

“Hoe vaak zijn we hier wel niet geweest,” vroeg Rietje. “Er is eigenlijk geen plekje op aarde zo mooi als dit.”

Johan perste zijn lippen samen en dacht na. Na een tijdje zei hij: “Ik denk zo’n dertig keer, Riet. Wij zijn niet altijd in Frankrijk op vakantie geweest. Weet je nog, die verregende vakantie in Engeland?”
Rietje knikte. “Maar hier was het altijd mooi.” Ze pakte Johan’s hand. “Zou het in de hemel net zo mooi zijn?” vroeg ze weer.

“Veel mooier,” antwoordde Johan op besliste toon. “Als we al onze vakanties in Frankrijk bij elkaar optellen en die vermenigvuldigen met duizend, dan komen we er nog niet bij in de buurt.”
Rietje moest lachen. “Dan wil ik er wel heen.”

“Toon Hermans zit er ook,” zei Johan weer.

Rietje knikte weer. “Fijn hoor,” zei ze zacht. Ze leunde naar Johan toe en gaf hem een zoen op zijn wang.

“Bedankt dat je me nog voor een laatste keer hier mee naar toe hebt genomen. Ik zal je wel missen.” Ze stopte even. “Wij zijn tenslotte meer dan 60 jaar getrouwd.”
Johan kreeg een brok in zijn keel, maar vermande zich. “Voor we het weten zijn we weer samen, Riet en dan zitten we weer samen aan de oevers van een veel grotere zee.”

In zijn broekzak weerklonk het geluid van het alarm dat hij op zijn mobiele telefoon had ingesteld. Zijn stramme, door artrose gekromde vingers gleden zijn broekzak in om het af te zetten.
“Vooruit, Riet. Het is tijd voor je chemotherapie. Hij trok Rietje zachtjes omhoog. “Als je niet al te ziek bent, kunnen we vanavond nog naar de ondergaande zon kijken.”

Samen slenterden ze terug naar het hotel.

Het was hun laatste vakantie in Frankrijk.